INHOUDSOPGAVE | TERUG

Redactioneel

Economen versus ecologen

De afgelopen maanden heeft het energie- en milieudebat een forse impuls gekregen. Twee gebeurtenissen domineerden lange tijd het nieuws: een effectvolle, alarmerende film over de apocalyptische consequenties van onze almaar stijgende energieconsumptie – An inconvenient truth getiteld – gemaakt door de voormalige Amerikaanse vice-president Al Gore én een economisch rapport van het hoofd van de Britse Government Economic Service, Sir Nicholas Stern, over hetzelfde onderwerp. Daarin werd voorgerekend dat het de wereld per jaar 'slechts' 1% van het gezamenlijke Bruto Nationaal Product zal kosten om de ergste gevolgen van klimaatverandering te voorkomen. Doen we niets, aldus Sir Nicholas, dan zal de rekening veel hoger zijn (20% van het BNP), iets waarvan vooral ontwikkelingslanden de dupe zullen worden.

Films en rapporten zijn snel gemaakt in vergelijking met de internationale overeenkomsten die nodig zijn om het klimaatprobleem verantwoord en effectief aan te pakken. Want één procent van het BNP klinkt goedkoop en eenvoudig, in de praktijk zal de discussie natuurlijk gaan over wie welk deel van de kosten moet dragen. Dat is politiek, geen rekenkunde.

Hoe weerbarstig de politiek is, bleek in november weer eens, toen de lidstaten van de VN in de Keniaanse hoofdstad Nairobi afspraken probeerden te maken over nieuwe maatregelen om de emissies terug te dringen. In 2012 loopt het Kyoto-Verdrag af en in het licht van de wereldwijde toename van de energievraag en de bijbehorende stijging van de CO2-uitstoot is het duidelijk dat er een doorbraak moet worden geforceerd. Niemand betwijfelt dat alle landen nu mee moeten doen, dus inclusief grootverbruiker Amerika en de toekomstige grootverbruikers China en India. De gedelegeerden kwamen er echter niet uit in Kenia. Eigenlijk is er – afgezien van het brede besef dat de emissies drastisch omlaag moeten – nog geen begin van een overeenkomst.

Daarmee is het complete verhaal natuurlijk niet verteld. De zoektocht naar technologische oplossingen in de vorm van alternatieve energiedragers en 'schoon fossiel' (opslag van CO2) gaat gelukkig gewoon door. Nog belangrijker is wellicht dat er consensus bestaat over de noodzaak van energiebesparing. In het interview met een vertegenwoordiger van de wetenschap, de politiek, het bedrijfsleven of de milieubeweging dat in elk nummer van Reflex is opgenomen, komt dit thema telkens weer terug. Meningsverschillen zijn er wel over de manier waarop energie moet worden bespaard. Het voorzorgsprincipe wordt wat dit betreft totaal verschillende ingevuld. Aan de ene kant staan de 'economen' die vooral géén milieumaatregelen verplicht willen stellen die de economische ontwikkeling schaden. Aan de andere kant staan de 'ecologen', die de problemen letterlijk koste wat het kost willen aanpakken, omdat – zo betogen zij – de gevolgen van inactiviteit veel ernstiger zijn dan welke maatregel dan ook. Een voorbeeld van deze benadering vindt de lezer in het interview in dit nummer met de ecoloog Jan Juffermans. Hij meent dat we de milieuproblemen – in het bijzonder klimaatverandering – alleen maar effectief kunnen aanpakken als we onze levensstijl aanpassen, lees: versoberen. De taak waarvoor economen en ecologen staan, is deze twee vormen van voorzorg met elkaar te verzoenen. Een duurzame oplossing vereist dat we én het milieu én de economie redden.

Anton Buys

 Print